De Luisterkamer: TOBIAS HERMANS
ERFGOED & Herinneringen in Dozen
Er zijn mensen die je herkent nog voor ze iets hebben gezegd. Niet omdat ze luid binnenkomen, maar omdat ze iets bij zich dragen dat zwaarder lijkt dan het is. Tobias Hermans zet zijn spullen op de toog in de Gold Listening Bar en het eerste wat je ziet zijn dozen. Geen hoezen. Kleine plaatjes in plastic zakjes. Een collectie die meer leest als een herinnering dan als een doordacht project.
Hij zegt zelf dat hij geen professor is. Maar na vijf minuten aan de toog voelt het er verdacht veel op. Niet omdat hij titels of jaartallen gooit, maar omdat hij over muziek praat zoals iemand praat over mensen die hij heeft gekend. Met de terloopsheid van iemand die het allemaal vanzelfsprekend vindt, en de precisie van iemand die er lang over heeft nagedacht.
Zijn dag is gemoedelijk begonnen. Kindjes opstaan, school, de maandag die al bezig is voor jij goed en wel wakker bent. En dan dit: twee uur in een luisterkamer, met een stapel dozen die niet "georganiseerd" willen worden.Een Masterclass Top Gun en The Ramones
Yves Duteil — L'Opéra
De meeste platen in de collectie van Tobias erfde hij van zijn vader. Maar deze — L'Opéra van Yves Duteil — komt van zijn moeder. Dat detail is geen voetnoot. Het is dramaturgie.
Het is een lied over een kind dat in zijn hoofd een podium bouwt, omdat de echte wereld soms te klein aanvoelt. Verbeelding niet als escapisme, maar als noodzaak. En dat past bij Tobias: iemand die klassieke muziek niet benadert als museumstuk, maar als een plek waar je nog altijd kunt wonen.
Zijn muzikale leven begint bij de opera. Maar een geblokkeerde kaak houdt hem weg van een zangcarrière. Dat soort zinnen laat je even hangen, omdat je voelt dat er achter "kaak" eigenlijk "leven" zit. Niet dramatisch gebracht. Gewoon waar. En zo begint de avond: met iemand die zijn bestemming niet heeft gevonden waar hij ze zocht, maar onderweg genoeg heeft opgeraapt om er een heel gesprek mee te vullen.
Edgar Palm — Otrobanda / Manina
Van daar reizen we richting Curaçao, via Edgar Palm. Zijn vader woonde jaren in de Antillen, en die muziek heeft hij meegedragen. Palm is in Curaçao niet zomaar een artiest — hij wordt beschreven als iemand die de Antilliaanse dansmuziek bewaarde en opnieuw liet floreren in een tijd dat nieuwe invloeden de eigen traditie dreigden weg te drukken.
Tobias gebruikt Palm niet als ansichtkaart. Dit is geen "wereldmuziek" in de zin van: iets exotisch om de set wat kleur te geven. Dit is familieverhaal. Erfgoed dat nog beweegt.
En dan is er die gedachte die ergens in het gesprek opduikt, haast terloops: je moet muziek spelen zodat je er op kunt dansen. Zelfs Bach. Dat is zo'n zin die je eerst doet lachen en daarna doet nadenken. Want eigenlijk gaat het over iets heel ernstigs: muziek is pas levend als ze het lichaam nog bereikt.
Chopin — Wals
Naast Palm zet Tobias een wals van Chopin. Omwille van de sfeer, de gedeelde melancholie. En ergens in het gesprek duikt de bewering op dat Caraïbische muziek van grote invloed was op Chopins muziek. Dat is zo'n uitspraak die je even wilt draaien en ruiken voor je doorslikt.
Maar wat er wél meteen klopt, los van alle muzikologische debatten: beiden hebben die combinatie van elegantie en verdriet. Muziek die niet huilt met mascara, maar met een rechte rug. Een wals die je laat glimlachen terwijl er vanbinnen iets beweegt dat je niet meteen kunt benoemen.
De collectie van Tobias leest overigens niet als een doordacht project. Het is eerder een herinnering die zichzelf organiseert. Elke plaat roept een volgende op, niet omwille van chronologie of genre, maar omwille van gevoel.
Kathleen Ferrier — Schumann of Brahms
Dan wordt het stiller. Frauenliebe und leben van Schumann, of de Vier ernste Gesänge van Brahms — beide door Kathleen Ferrier en John Newmark. Ferrier stierf jong, op het hoogtepunt van haar carrière. Dat soort kennis verandert hoe je luistert, of je dat nu wilt of niet. Je hoort niet alleen schoonheid. Je hoort ook tijd.
Tobias kiest hier niet voor virtuositeit als pronkstuk, maar voor kwetsbaarheid als kwaliteit. Dat is geen romantische pose. Dat is een volwassen smaak.
Marian Anderson — Spirituals
Marian Anderson verschijnt in de set als een morele ruggengraat. Niet omdat Tobias een statement wil maken, maar omdat sommige stemmen, eenmaal je ze hoort, je geweten een beetje herstemmen.
In 1939 werd ze geweigerd in Constitution Hall in Washington D.C. — te zwart, vond de eigenaresse. Eleanor Roosevelt stapte uit protest uit de organisatie en regelde dat Anderson kon optreden op de trappen van het Lincoln Memorial. 75.000 mensen kwamen luisteren.
Dat is geen trivia. Dat is een herinnering aan wat kunst soms doet wanneer een samenleving zichzelf moet aankijken.
En toch: in De Luisterkamer blijft het menselijk. Geen geschiedeniscollege. Gewoon de vraag die in de ruimte hangt: waarom pakt dit mij zo vast?
LEEK TEA & Tonic
45 ml weide infused tanqueray 0.0
90 ml Fever Tree Indian Tonic
4 druppels prei olie
Giet de gin in een gekoelde collins glas gevuld met ijsblokken, voeg er voorzichtig de tonic aan toe tot het glas gevuld is. Laat een 4-tal druppels van de prei olie op de tonic vallen. serveer met een citroenpartje.
Halverwege schenk ik The Leek Tea & Tonic. Alleen al de naam klinkt alsof iemand in de keuken heeft geroepen: "Zeg, wat als we dit eens proberen?" en dat niemand nee durfde zeggen.
Tea & tonic als concept bestaat al langer in de hedendaagse barcultuur: thee als aromatische basis, tonic als bitter-bruizende ruggengraat. Je ziet het in alcoholvrije varianten, en in cocktails waar thee als siroop of infusie opduikt. En die prei? Moderne bars spelen al jaren met groente en hartige aroma's. Prei-siroop als manier om iets weggeworpen toch smaak te geven — de keuken als compositie.
Het past bij wat Tobias die avond meebrengt: erfgoed dat niet netjes in hoezen zit. Schoonheid die niet alleen "mooi" wil zijn. Smaken die je even uit je automatische piloot halen.
Het is een cocktail die zegt: we gaan hier niet gewoon iets drinken; we gaan iets meemaken.
Klaus Nomi — Cold Song
Na Anderson komt Klaus Nomi. En dat is zo'n sprong die alleen werkt als je hem met overtuiging maakt.
Cold Song is gebaseerd op Purcells aria "What Power Art Thou?" uit King Arthur — barok dat door een jaren-'80-futuristisch filter gaat zonder zijn kern te verliezen. Het gevoel van wakker worden in kou, tegen je zin, alsof liefde je uit je winterslaap trekt. Nomi overleed in 1983, een van de eerste bekende slachtoffers van aids. Die wetenschap geeft het lied iets extra's mee — een echo van breekbaarheid die je niet kunt wegredeneren.
En zo klinkt Wagner straks minder ver weg. De lijn is niet "klassiek versus pop", maar drama. Stem. Mens die iets te groot voelt voor één lichaam.
Wagner — Tristan und Isolde, einde tweede akte
Het einde van de tweede akte van Tristan und Isolde is een van de merkwaardigste momenten in de hele operageschiedenis. Tristan en Isolde worden betrapt door Koning Marke en zijn gevolg. Melot wond Tristan. Maar Wagner laat de muziek niet ontploffen — hij laat haar wegglijden. En dat is geen onmacht. Dat is de bedoeling.
Al in de allereerste maat van de opera introduceert Wagner het beroemde Tristan-akkoord — een harmonische combinatie die wil oplossen, maar het niet doet. Een akkoord dat je in een toestand van onvervuld verlangen houdt. En dat blijft zo. Akte I. Akte II. Het akkoord lost niet op. De spanning lost niet op. Tot de allerlaatste minuut van de opera, in Isoldes Liebestod, geeft Wagner je eindelijk — eindelijk — de rust die hij drie aktes lang heeft uitgesteld.
Dat is de structuur van het verlangen zelf. Niet de vervulling, maar de toestand van wachten op vervulling. Wagner schrijft dat niet over de liefde — hij schrijft het als de liefde.
Tobias las de partituur mee terwijl we luisterden. Dat klinkt als iets voor musici, maar het is eigenlijk een eerlijkere manier om Wagner te beluisteren: je volgt niet alleen wat je hoort, je volgt wat hij schreef. En die twee zijn bij Wagner zelden identiek. Je ziet de keuzes. Je ziet waar een dirigent iets onderstreept dat op papier bijna onzichtbaar staat, of net andersom. Het is het verschil tussen een film kijken en het script meelezen. Alles is nog hetzelfde, maar je bent er anders bij aanwezig.
Bayreuth
Wagner bouwde zijn Festspielhaus met één obsessie: de muziek moet groter klinken dan het theater. De orkestbak is verdiept en volledig overdekt — de mystische Abgrund, de mystische afgrond, noemde hij het zelf. Je ziet de musici niet. Het geluid mengt in de ruimte voor het je bereikt. Voor Tristan is dat geen detail — het is de enige correcte manier om het te horen. Verlangen zonder bron, muziek die van overal lijkt te komen. Of nergens.
Frank Sinatra — Only the Lonely
We eindigen waar we eigenlijk altijd eindigen als de avond lang genoeg duurt: Frank Sinatra. Only the Lonely, en "One for My Baby and One More for the Road."
Er gaan verhalen over hoe songwriter Johnny Mercer dat laatste lied schreef op een servet in een New Yorkse bar — een dronken monoloog aan de toog. Of elk detail klopt, is haast minder belangrijk dan waarom het verhaal blijft plakken: omdat het lied zelf klinkt alsof het op een servet thuishoort. Alsof je het niet in nette notenbalken kunt uitschrijven zonder dat er iets menselijks verloren gaat.
Only the Lonely past in Tobias' set omdat het dezelfde kern raakt als Schubert en Mahler eerder die avond: liefde, verlies, en de waardigheid van verdriet. Niet als klaagzang, maar als houding. Als bewijs dat je er was, dat het er toe deed.
Wat me het meest bijblijft aan deze Luisterkamer is niet één plaat, maar Tobias' houding. Alsof muziek geen collectie is, maar een manier om het leven draaglijk en mooi te houden. Zijn doosjes en zakjes zijn geen rommel. Het zijn archiefdozen van het hart.
Verder luisteren
Thomas' avond trok een lijn van The Ramones' heilige eenvoud naar de getormenteerde complexiteit van Nine Inch Nails, met als rode draad: het mannetje of het vrouwtje achter het instrument maakt het verschil. Laat me 5 albums voorstellen die dat pad verder verkennen:
1. Sonic Youth – Daydream Nation (1988)
Lee Ranaldo en Thurston Moore bewijzen dat twee gitaristen meer kunnen zijn dan de som der delen – mits ze begrijpen dat het om de speler gaat, niet om de gear. Hun alternate tunings en prepared guitars waren geen trucje maar noodzaak. Net als Thomas' filosofie: beperkingen omarmen om tot essentie te komen.
2. Mark Lanegan – Bubblegum (2004)
De Screaming Trees-zanger die na grunge zijn eigen pad vond. Bariton, fuzz en een parade van gasten (PJ Harvey, Josh Homme, Duff McKagan) – maar het blijft Lanegan's show. Precies wat Thomas bedoelt: het instrument of de band maakt niet uit, de stem achter de microfoon wel.
3. Bill Frisell – Nashville (1997)
Een avant-garde gitarist die country speelt – en het werkt omdat Frisell begrijpt dat genre minder belangrijk is dan intentie. Zijn telecaster klinkt anders dan die van ieder ander. Thomas zou het herkennen: dezelfde gitaar, totaal verschillende muziek.
4. Low – I Could Live in Hope (1994)
Slowcore-pioniers die met minimum middelen maximum emotie creëren. Drie akkoorden, langzaam gespeeld, met ruimte tussen de noten. Het tegenovergestelde van virtuositeit, maar minstens zo krachtig. De Ramones-les in een andere snelheid.
5. Gillian Welch – Time (The Revelator) (2001)
David Rawlings' gitaarspel op deze plaat is wat Thomas bedoelt met "het mannetje achter de gitaar." Geen effects, geen trucjes – gewoon vingers, snaren en gevoel. Americana die tijdloos is omdat het om de spelers gaat, niet om de productie.